JONAG logo
Actueel » columns » Sjoa en DNA

Sjoa en DNA Harry Polak

columns 20 december 2015

Het was ergens in 1987. Op zondag om twaalf uur had je toen op TV het discussieprogramma Het Capitool. Onderwerp was op 17 april (ik heb het opgezocht) een onderzoek van psychiater Schüdel naar het (eerste en) tweede generatiesyndroom. Kort en goed kwam de onderzoeksconclusie van Schüdel erop neer dat dat syndroom niet bestond. Kwam dat even goed van pas want de WUV kon met een gerust geweten door de regering worden gesloten voor de tweede generatie.
In Het Capitool zat Schüdel tegenover Lou de Jong van het toenmalige Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Zelden heb ik iemand zo afgebrand zien worden als toen Schüdel. De Jong liet hem alle hoeken van de Tv-studio zien. Het heeft niet mogen baten. Schüdel heeft daarna nog een verdediging geschreven in Medisch Contact. Hij had alleen maar onderzoek gedaan naar eerste en tweede generatie trauma’s. Dat de regering daar financiële conclusies aan wilde verbinden, dat was hem niet aan te rekenen. Tja, het excuus van een wereldvreemde onderzoeker die niet beseft waar zijn onderzoeksresultaten voor gebruikt of misbruikt kunnen worden? The Beatles hebben het in dit verband gehad over a real nowhere man.
Ik voelde me natuurlijk nauw betrokken bij het thema vanwege de ervaringen van mijn moeder en broer (hij was nog maar een peuter tijdens de oorlog) in het Joodse deel van het Jappenkamp waar ze opgesloten zaten. Geen vernietigingskamp God zij dank, maar dat wil niet zeggen dat ze daar goed behandeld werden. Mijn moeder zei altijd: “Als de Amerikanen de Bom niet hadden gegooid dan had ik niet meer geleefd. We moesten ons graf al graven, omdat de Jappen zagen aankomen dat zij de oorlog gingen verliezen en de sporen van het Jappenkamp moesten kennelijk gewist worden.”

Ook mijn vader die krijgsgevangene was aan de Birma spoorlijn kreeg zijn deel van WO II. Ik heb nog een kleine uitgave van een Tenach die hij kreeg als Joodse krijgsgevangene.
Ten opzichte van mijn vader, moeder en broer die allen de oorlog hadden meegemaakt, had ik zoiets van: het was hun oorlog, erg genoeg, niet de mijne. Want ik ben van na de oorlog. Een tweede generatiekind heb ik me nooit gevoeld. Omdat ik vond dat zij hadden geleden en niet ik. Al ging het thuis regelmatig over de oorlog, bij mij had die geen sporen nagelaten, vond ik. Dat vind ik nog steeds, ondanks dat een Israëli bij JMW-bijeenkomst ooit tegen mij dat ik niet zo moest zeuren want ook ik was gewoon tweede generatie.
Het is bijna dertig jaar later. Mijn broer heeft de laatste tijd ’s nachts last van herbevelingen van de kampperiode, hoewel hij in zijn hele leven tot nog toe meer dan prima heeft gefunctioneerd. Onze beide ouders leven al lang niet meer.
In het laatste VBBG-nieuws (najaar 2015) - het stond ook in de Telegraaf van 24 augustus jl. - lees ik iets over een onderzoek van het Mount Sinai-ziekenhuis in New York. Ze hebben het DNA vergeleken van kampslachtoffers en hun kinderen die vaak aan stressstoornissen leden met dat van Joodse families die tijdens de oorlog niet in Europa waren. Er werd verschil geconstateerd: niet dat het DNA gemuteerd was, er was wel sprake van bepaalde genen die werden aan of uitgeschakeld. Dat kon - zo bleek uit het onderzoek – alleen maar verklaard worden door de ervaringen van de ouders tijdens de Sjoa.
“Wanneer het effect van trauma’s wordt overgeleverd, gebeurt dat specifiek bij stress gerelateerde genen die mee bepalen hoe we omgaan met onze omgeving.”
Het onderzoek is inmiddels bekritiseerd. Schüdel kan gerust zijn.